Uit de memoires van Pieter Baron

Pieter Baron was ambtenaar der invoerrechten en accijnzen in Gendringen en heeft voor de familie Spier een onderduikadres geregeld. In zijn memoires besteedt hij enkele pagina’s aan de onderduik van de familie Spier.

…De oorlog brak geheel onverwachts uit op 10 mei 1940 en heeft geduurd tot maart 1945, althans bij ons. We werden vroeg in de morgen gewekt door de buren, want het geronk van de vliegtuigen was nog niet tot ons doorgedrongen. Bij het opstaan bleek dat we toen al op de grond door de Duitsers waren ingesloten. Ze hadden ons dorp omsingeld en onze militaire wachtposten overrompeld…

Opgepakt

…Hoe langer de oorlog duurde, hoe meer ellende. Vooral voor de Joden werd de toestand onhoudbaar en dat betrof ook de familie Spier-De Haas alhier. Tussen ons en de familie Spier was in de loop der jaren een vertrouwelijke band ontstaan, omdat wij hen weleens financieel steunden (geldlening). Het gezin Spier bestond uit moeder Spier met haar drie kinderen Sophie, Jacob en Salomon (gehandicapt), alsmede een zuster van mevrouw Spier, namelijk tante Roos, geboren De Haas. Voorts had ze nog twee uitwonende gehuwde zoons, te weten David (3 kinderen) en Arie (1 kind). David is met vrouw en kinderen in Amsterdam gepakt en Arie in Terborg; allen zijn doodgemarteld en/of vergast. Ik heb David enige dagen voor ze zijn gepakt nog opgezocht in Amsterdam en heb getracht hen te laten onderduiken, maar ze durfden dat niet omdat ze dan van hun kinderen gescheiden zouden worden. Arie was toen al opgepakt en waarschijnlijk gedood.

Tuenter

Toen de Joden-razzia in volle gang was, begon de gehele familie Spier bij ons de toevlucht te nemen, gepaard gaande met angst en gehuil. Om de haverklap kwamen ze dan ook bij ons, ook vaak op klaarlichte dag. Eén-en- ander begon op te vallen, zowel bij hen die men wél, als bij hen die men niet kon vertrouwen. Voorts woonden we in dat opzicht ongunstig midden in het dorp; geen gelegenheid voor schuilplaatsen et cetera, zodat te zijner tijd een gelegenheid moest worden gezocht voor een definitieve onderduiking.
Dat deed zich voor bij de familie Wed. Tuenter in Groot Breedenbroek (boerderij ’t Holderslag). Het was een gezin met twee zoons en één dochter, te weten Willem, Johan en Hanna. De familie Spier heeft hier bijna drie jaar doorgebracht. De Tuenters waren gelovige mensen (gereformeerd) en zeer moedig; zij gevoelden dit als een opdracht van God. Op mijn vraag aan mevrouw Tuenter waarom zij ‘ja’ had gezegd op de vraag voor onderduiking, had ze gedacht aan het Schriftwoord: “De vossen hebben holen en de vogels hebben nesten, maar de zoon des mensen heeft geen plaats waar hij zijn hoofd kan neerleggen”.

Boerderij ’t Holderslag, Brokkenstraat 2 te Breedenbroek, waar de familie Spier tijdens de oorlog is ondergedoken. Foto: Ton van Vliet

Kostgeld

Het kostgeld was zeer gering, namelijk 5 tot 6 gulden per persoon per week en dat is zo gebleven tot de bevrijding. Toen ze onderdoken was er circa 300 gulden aan geld aanwezig en dit was dus binnen korte tijd op. Hierna heb ik nog een paar keer wat gouden sieraden voor hen verkocht, namelijk een halsketting en een armband voor respectievelijk 375 en 210 gulden ofwel ongeveer 20 gulden per gram en ik kon daarmee terecht bij Duthler in Varsseveld (ondergrondse).

Door mij is betaald aan de familie Tuenter
voor kostgeld en diversen: f. 3.242

  • Ik heb ontvangen via Ds. van Dorp (organisatie ‘44/’45): f. 1.975
  • Ontvangen van Bernard Wentink (Wals): f. 250
  • Ontvangen van de familie Leussen (Gendringen): f. 100
  • Ontvangen van de Gereformeerde Diaconie (Silvolde): f. 65
  • Opbrengst ketting en armband f. 585
  • Totaal: f. 2.975

Nog open na de bevrijding en door hen afgelost op 22 juni 1945 was 267 gulden. Voordat de organisatie er aan te pas kwam, had ik reeds 1.800 gulden als voorschot betaald, maar het viel niet mee om aan adressen van organisatieleden te komen, want ze hadden geen ‘plaatje’ op de deur.

Op een avond heb ik mij gemeld bij Ds. van Dorp te Gendringen met de mededeling: ‘Ik zoek iemand van de ondergrondse’. Ik had onmiddellijk geluk, want hij liet me binnen. Toen ik bij hen de kamer binnenkwam, liep er een meisje met lange zwarte vlechten de kamer uit; het leek me een Joods meisje. Zij bleek een kind van de Joodse familie Wagendorp uit Doetinchem te zijn. Vanaf dit moment (’44) begon de betaling via de organisatie (Van Dorp) te lopen, alsmede de bonkaarten. Voor de bonkaarten had ik al eerder iets geprobeerd via een bevriende relatie van het gemeentehuis, maar die durfde één-en-ander niet aan. Kort daarna heeft de ondergrondse nog eens getracht de medewerking te verkrijgen van genoemde relatie en dat is eveneens mislukt. Eén van de knokploegleden (een gewezen marechaussee) heeft die nacht nog bij ons doorgebracht en ik heb hem gezelschap gehouden in de voorkamer, want hij was met zijn collega’s zeer teleurgesteld dat de kraak niet doorging.

Bezoek

Met de familie Spier is alles tamelijk rustig verlopen, maar ze stelden er wel prijs op, dat ik bijna elke dag of avond op bezoek kwam en dat is dan ook (gemiddeld 4 keer per week) gebeurd. Ze waren rustig en tevens nieuwsgierig omtrent de toestand in het dorp. Als douaneman was mijn bezoek in de avond ook mogelijk, aangezien wij toestemming hadden om na 20.00 uur buiten te zijn. Ze hadden bij mevrouw Tuenter de beschikking over twee kamers van het huis en wel één als woon- en de ander als bergkamer. Op de zolder van de bergkamer was een luik gemaakt en ze konden in geval van nood met een klein laddertje op de zolderkamer komen, alwaar ze ook sliepen.

Gebroken ribben

Bij één van mijn bezoeken ontbrak tante Roos (dove vrouw) in de kamer. Ze lag met veel pijn te bed op zolder. Ik het laddertje op, maar kon in het donker niet met haar liplezen; ze kreunde van pijn en zei dat er waarschijnlijk ribben waren gebroken. Ze had aardappelen zitten schillen en opeens had de bakker (Arie) van buiten door de vitrage gegluurd; daarvan was ze erg geschrokken en over de emmer gevallen. Arie’s nieuwsgierigheid was bevredigd, want hij had zijn vader (bakker Reusink) al eens gezegd: ‘Wat vreten de Tuenters toch völle brood’. De Joden voelden zich verraden, maar Arie heeft niets losgelaten.
We hebben overlegd wat nu te doen en we besloten de dokter in te lichten. Dat moest dokter Keizer uit Dinxperlo zijn (dat was tevens hun huisarts). Mevrouw Tuenter zelf is op de fiets gestapt, maar ze wist niet hoe ze de arts moest inlichten. Toen ze terugkwam vertelde ze dat ze de dokter had gesproken in het bijzijn van zijn assistent en ze had het heel akelig gevonden om met de arts te spreken met die assistent erbij. Ze had dan ook gevraagd of ze de dokter even alleen mocht spreken. Hij had haar toen uitgelachen en gevraagd of ze soms Joodse mensen in huis had, die ziek waren en als dat zo was, dan was het noodzakelijk dat de assistent erbij was, ingeval de Duitsers hem hadden gearresteerd.
Mevrouw Tuenter had hem op zijn vraag geantwoord: ‘Ja dokter, we hebben er twee’ en daarop zei de dokter: ‘Ga maar gauw naar huis, want ik kom zo bij jullie’. Tot aan de bevrijding is hij bijna elke dag geweest voor behandeling van de gebroken ribben en ontstekingen.
De dagelijkse bezoeken van de arts viel de buren op en die kwamen al spoedig informeren wat er bij hen gaande was. Omdat mevrouw Tuenter niet met de waarheid voor de dag kon komen, heeft ze de arts om raad gevraagd. Die wist dat wel op te lossen en wikkelde mevrouw Tuenter een witte lap om een been en deed er de kous er weer overheen. ‘Zo, en als ze weer naar vragen, dan laat je het been maar zien en zeg je maar: ik heb wat aan het been’.

Meer moeilijkheden

Er kwamen al spoedig meer moeilijkheden bij de familie Tuenter. De zoons moesten zich ziek melden voor de arbeidsinzet voor de Duitsers. Ze vertikten dat namelijk en lieten het er op aankomen dat ze werden gehaald. Gelukkig mocht de oudste weer spoedig thuisblijven, vanwege de landbouw- en tuinderswerkzaamheden. Voorts kregen ze ook nog inkwartiering van een stel Duitse soldaten, want zij hadden mitrailleur-stellingen om het huis aangelegd. Om deze reden werd het voor de familie Spier een onhoudbare toestand en zijn ze een week lang ondergebracht buiten het huis onder een stroberg en aldaar van voedsel voorzien tot aan de bevrijdingsdag.
Een week voor de bevrijding had ik al een plaats voor verdere onderduiking gevonden bij de familie Herman Oenk, eveneens in Breedenbroek. Het was bij Tuenter eigenlijk niet meer mogelijk met al die Duitse soldaten. Op het moment dat we bij Oenk een-en-ander in orde maakten in een schuur, begon de aanval van de Engelsen met granaatvuur en moest ik hals over kop terug naar huis. Thuis aangekomen zaten de Gendringse mensen allen in kelders en schuilplaatsen, want het schieten ging maar door. Vanaf dat moment zijn we met ons hele gezin een week lang bij onze buren, de familie Pothof (Gilsing), in de kelder gebleven en we zaten daar met ongeveer 20 personen. Het was een behoorlijke kelder en met het slapen lagen ze allemaal kris-kras door elkaar. Tijdens de rustpauzes (als er niet werd geschoten) verlieten we de kelder en haalden we melk, brood et cetera en zorgden de vrouwen voor de warme maaltijden. Ook keken we even thuis of de boel nog heel was. Op een dag bleek het huis door een granaat te zijn getroffen: een gat in het dak en enorm veel kapot meubilair.

Bevrijding

Op een middag begonnen ze weer te schieten, terwijl de vrouwen nog met de afwas bezig waren. Iedereen dook de kelder in en kort daarna kwam er een voltreffer in de keuken. Alles was totaal verwoest, maar gelukkig brak er geen brand uit. Tot nu toe waren we nog als een wonder gespaard gebleven en mijn gedachten waren toen ook steeds bij de familie Spier. Vanwege het granaatvuur kon ik er niet komen en ik ben op een morgen naar Ulft gefietst en ik heb het een-en-ander hieromtrent verteld aan opperwachtmeester Barendse. Hij heeft mij gerust gesteld met de mededeling: ’Mocht die familie alsnog worden gepakt, dan worden ze toch eerst hier gebracht en dan laat ik ze met een marechaussee onderduiken’. Gelukkig is dit niet nodig geweest, omdat ze reeds onder de stroberg zaten, wat ik toen niet wist. Ze zijn op de dag van de bevrijding opgehaald door mevrouw Tuenter en wat zich toen heeft afgespeeld hebben de Joodse mensen nooit vergeten.
Mevrouw Tuenter had geroepen: ‘Ons volk, zijn jullie er nog? Ja! En zijn jullie er allemaal nog? Ja! Nou kom dan nu maar weer voor de dag, want we zijn weer vrij!!’ Toen ze met mevrouw Tuenter arriveerden, lagen er op de deel sigaretten, chocolade, snoep, koffie en thee enzovoort. Alles was bestemd voor de familie Spier en hun helpers. Ook ik kreeg als zodanig wat mee. Ze zijn op zaterdag bevrijd en de zondagmorgen heb ik Sophie en Jacob opgehaald en zijn we per fiets naar Gendringen gereden en al spoedig was ons huis gevuld met belangstellenden. In het dorp riepen de mensen: ‘De familie Spier is er weer en Baron was erbij’.

In dankbare herinnering

Ook wij zijn op vrijdag plus minus 17.00 uur bevrijd door Frans-Canadese soldaten (vrijwilligers) en mochten we na onderzoek in de kelder deze al spoedig verlaten en een-en-ander in ogenschouw nemen. Het was Goede Vrijdag en er is die dag heel wat gevochten met de Duitsers, waarbij enkele huizen en boerderijen in brand zijn geschoten. Ongeveer 18.00 uur staakten ze de strijd en was alleen onze kant van het dorp vrij. De rest kwam de volgende morgen aan bod.
De familie Spier kon al spoedig naar huis en Jacob begon alweer wat te sjacheren en handelen met de soldaten en kon al spoedig de schuld bij mij beetje voor beetje weer aflossen. Tante Roo kwam direct in het ziekenhuisje te Harreveld; ze is kort daarna gestorven.
De overige familie is later verhuisd naar Terborg, omdat Sophie inmiddels is getrouwd met de heer Berendsen aldaar. De jongste zoon (Jacob) leeft thans (2-3-’92) nog en woont ook in Terborg. De familie Spier is ons altijd zeer dankbaar gebleven en als herinnering daaraan hangt bij mij aan de wand een schild met opschrift: ‘Veertig jaar in vrijheid. Aan de familie P. Baron van familie Spier. In dankbare herinnering aan de hulp in de donkerste dagen’.